Hoofdmenu

Om in het hoofdmenu te komen, drukt u eerst op de toets Func (9) om de meetfuncties op te vragen. Druk nu op de rechter functietoets (10).

  • <Meting>
    • <Emissiegraad> (d)
      Voor enkele van de meest voorkomende materialen kan er worden gekozen uit opgeslagen emissiegraden. Om het zoeken gemakkelijker te maken, zijn de waarden samengevoegd tot groepen in de emissiegraadcatalogus. Selecteer in het menupunt <Materiaal> eerst de juiste categorie en dan het juiste materiaal. De bijbehorende emissiegraad verschijnt in de regel eronder. Wanneer u de precieze emissiegraad van uw meetobject kent, kunt u deze ook als getalswaarde in het menupunt <Emissiegraad> instellen.
      Als u vaak dezelfde materialen meet, kunt u vijf emissiegraden als favoriet opslaan en deze snel via de bovenste balk (genummerd van 1 tot 5) opvragen.
    • <Reflectietemp.> (c)
      De instelling van deze parameter kan het meetresultaat vooral bij materialen met een lage emissiegraad (= hoge reflectie) verbeteren. In sommige situaties (vooral binnenshuis) komt de gereflecteerde temperatuur overeen met de omgevingstemperatuur. Wanneer objecten met sterk afwijkende temperaturen in de buurt van sterk reflecterende objecten de meting kunnen beïnvloeden, dan moet u deze waarde aanpassen.
  • <Indicatie>
    • <Middelpunt> (l)
      De punt wordt in het midden van het warmtebeeld weergegeven en geeft u de gemeten temperatuurwaarde op deze plek aan.
    • <Hotspot> (k): <AAN>/ <UIT>
      Het heetste punt (= meetpixel) wordt door een rood dradenkruis in het warmtebeeld gemarkeerd. Dit maakt het zoeken naar kritische punten (bijv. losse contactklem in de schakelkast) gemakkelijker. Voor een zo nauwkeurig mogelijke meting focusseert u het meetobject in het centrum van het display (186 × 140 px). Op deze manier wordt de betreffende temperatuurwaarde van dit meetobject ook weergegeven.
    • <Coldspot> (m): <AAN>/<UIT>
      Het koudste punt (= meetpixel) wordt door een blauw dradenkruis in het warmtebeeld gemarkeerd. Dit maakt het zoeken naar kritische punten (bijv. ondichte plek bij het raam) gemakkelijker. Voor een zo nauwkeurig mogelijke meting focusseert u het meetobject in het centrum van het display (186 × 140 px).
    • <Kleurenschaal> (h): <AAN>/ <UIT>
    • <Gemiddelde temp.> (b): <AAN>/<UIT>
      De gemiddelde temperatuur (b) wordt linksboven in het warmtebeeld weergegeven (gemiddelde temperatuur van alle gemeten waarden in het warmtebeeld). Dit kan het voor u gemakkelijker maken om de gereflecteerde temperatuur te bepalen.
  • <Toestel>
    • <Taal>
      Onder dit menupunt kunt u de op het display gebruikte taal selecteren.
    • <Tijd & datum> (a)
      Voor het wijzigen van tijd en datum in het meetgereedschap opent u het submenu <Tijd & datum>. In dit submenu kunt u naast de instelling van tijd en datum ook de betreffende formaten ervan wijzigen. Voor het verlaten van het submenu <Tijd> en <Datum> drukt u ofwel op de rechter functietoets (10) om de instellingen op te slaan, ofwel op de linker functietoets (17) om de wijzigingen te verwerpen.
    • <Uitschakeltijd>
      Onder dit menupunt kunt u het tijdsinterval kiezen waarna het meetgereedschap automatisch moet uitschakelen, wanneer op geen enkele toets wordt gedrukt. U kunt het automatisch uitschakelen ook deactiveren door de instelling <Nooit> te kiezen.
    • <WiFi inst.>
      Onder dit menupunt kunt u een ander Wi‑Fi®-kanaal instellen of een nieuwe Wi‑Fi®-sleutel genereren.
    • <Hoge audiokwali.>
      Onder dit menupunt kunt u de kwaliteit van het opgenomen audiobestand via spraaknotitie aanpassen. Let er daarbij op dat voor een hoge audiokwaliteit meer geheugen nodig is.
    • <Toestelinformatie>
      Onder dit menupunt kunt u informatie over het meetgereedschap opvragen. U vindt daar het serienummer van het meetgereedschap en de geïnstalleerde softwareversie.
    • <Fabrieksinst.>
      Onder dit menupunt kunt u het meetgereedschap terugzetten naar fabrieksinstellingen en alle gegevens definitief wissen. Dit kan eventueel meerdere minuten in beslag nemen. Druk op de pijltoets rechts (11) voor <Meer> om in het submenu te komen. Druk daarna ofwel op de rechter functietoets (10) om alle bestanden te wissen, of op de linker functietoets (17) om het proces te annuleren.

Om een willekeurig menu te verlaten en terug te keren naar het standaard weergavescherm kunt u ook op de toets Meting (23) drukken.